Tijdvak 8: Burgers en stoommachines

In het kort

In dit tijdvak kwamen de stoommachines pas goed echt op gang, hierdoor werd een groot deel van het werk van de arbeiders overgenomen. Er kwamen hierdoor ontwikkelingen op het platteland waardoor er minder arbeid nodig was, hierdoor trokken arbeiders massaal naar de stad om daar te gaan werken in de fabrieken. In deze fabrieken waren echter zeer ongunstige omstandigheden, zo waren de lonen laag en waren er gevaarlijke situaties. de problemen met deze arbeiders werd ook wel de sociale kwestie genoemd.
Ook was deze periode erg belangrijk voor Nederland omdat we in deze periode een grondwet kregen. Dit gebeurde in 1848 doormiddel van Thorbecke, in het begin was koning Willem de 2e het hier nog niet mee eens maar uiteindelijk ging hij snel overstag. (Waarschijnlijk mede omdat hij zag wat er in de periode hiervoor in europa is gebeurd).
In de grondwet werd onder andere de basis gelegd voor de parlementaire democratie en raakte de koning dus een deel van zijn macht kwijt. de macht kwam dus bij het parlement te liggen, dit zorgde er dan weer voor dat er allerlei politieke partijen in Nederland op gang kwamen uit de 3 grote stromingen; socialistisch, liberaal en het confessionalisme. Ook in de rest van Europa kwamen meerdere politieke ideologieën tot stand, zo kwam Karl Marx met het marxisme wat een vorm is van communisme en wat in de volgende tijdvakken veel toegepast zou gaan worden.

8.1 De industriële revolutie

De industriële revolutie was een enorme verandering voor de mensheid. zo ging men van een landbouw stedelijke samenleving over naar een industriële samenleving. Met de industriële revolutie veranderde de productie en economie erg. zo werd handarbeid voor een groot deel vervangen door machines. Het was wel een traag proces. Het begon met behoorlijk simpele uitvindingen zoals ijzeren spinmachines en de stoompomp. De industriële revolutie maakte deel uit van een groot aantal veranderingen, die elkaar versterkten. Een daarvan was de agrarische revolutie (verbetering van landbouwmethodes waardoor de agrarische productie steeg, de bevolking groeide en de boerenbevolking afnam). Een andere onmisbare verandering was de transportrevolutie (radicale verbetering van vervoersmogelijkheden). De stoommachine maakte de stoomlocomotief mogelijk. Via kanalen en spoorlijnen konden goederen vervoerd worden. Er ontstond een nationale markteconomie en Groot-Brittannië werd het middelpunt van de wereldeconomie. De stedelijke arbeidersklasse en burgerij groeiden, het aandeel van de plattelandsbevolking nam snel af.

8.2 Politiek-maatschappelijke stromingen

De industrialisatie leidde tot een sterke groei van burgerij en de arbeidersklasse. Maar de Europese regeringen wilden aan het begin van de 19e eeuw de macht van monarchie en de adel handhaven. Er ontstonden drie grote politieke stromingen die zich daartegen verzetten: het liberalisme, het nationalisme en het socialisme. Deze politieke stromingen (beweging die deel wil nemen aan het bestuur vanuit bepaalde opvattingen over de juiste inrichting van de maatschappij) verzette zich tegen de autoritaire orde. De liberalen wilden de vrijheden en rechten van het individu centraal stellen. Maar deze stroming kwam geleidelijk in het gedrang door de opkomst van het socialisme (politiek-maatschappelijke stroming en emancipatiebeweging van de arbeidersklasse die streeft naar meer gelijkheid en gelijkwaardigheid), en een nieuw, agressief nationalisme (voorliefde voor het eigen volk, streven naar nationale zelfstandigheid in een eigen natiestaat).Er ontstond in Duitsland een Duitse eenheid, onder leiding van de Pruisische kanselier (regeringsleider) Bismarck. Aan het eind van deze eeuw kwamen nog twee politiek-maatschappelijke stromingen op: het confessionalisme en het feminisme.

8.3 Democratisering

In 1815 zaten in heel Europa erfelijke vorsten op de troon, maar overal was de macht van de koning afgenomen. Nederland ging samen met België op in het Koninkrijk der Nederlanden. De prins van Oranje kwam op de troon, Willem I. Er kwamen een grondwet en een parlement, maar volksinvloed was er nauwelijks. Het parlement werd benoemd: de Eerste Kamer door de koning, de Tweede Kamer door de provincies. Toen bekend werd dat Willem I door ongecontroleerde uitgaven het land bijna bankroet had gemaakt, kwam het liberalisme een beetje tot leven. Uiteindelijk liet de geschrokken koning de liberale leider Thorbecke bij zich komen en vroeg hem een nieuwe grondwet te schrijven. De koning was in 24 uur van zeer conservatief zeer liberaal geworden. Thorbeckes grondwet van 1848 gaf de macht aan het parlement. De meeste macht kreeg de Tweede Kamer, die voortaan rechtstreeks door de burgers zou worden gekozen. Thorbecke bepaalde dat alleen mannen die voldoende belasting betaalden, mochten stemmen. Aletta Jacobs streed voor algemeen kiesrecht. Dit gebeurde ook onder invloed van het feminisme (het streven naar een gelijkwaardige positie van de vrouw). In 1918 mochten voor het eerst alle mannen stemmen, vier jaar later waren de eerste verkiezingen met algemeen kiesrecht.

8.4 De emancipatiebewegingen

Politiek werd in de 19e eeuw steeds minder alleen een zaak van een kleine elite en steeds meer een zaak van de massa. De kiesrechtuitbreidingen bevorderden de opkomst van emancipatiebewegingen. In veel landen werd het socialisme de sterkste emancipatiebeweging, maar in Nederland werd het socialisme overschaduwd door het confessionalisme. Het confessionalisme (politiek-maatschappelijke stroming die uitgaat van een geloof -> confessie) kwam pas op in de tweede helft van de 19e eeuw. Vooral de achteruitgang van het christendom en de verscherping van de klassentegenstellingen vonden ze schrikbarend. Ze wilden een christelijke samenleving met harmonische samenwerking met werkgevers en werknemers. Rechtzinnige protestanten en katholieken die voorheen aartsvijanden waren, gingen nu samenwerken tegen de gezamenlijke vijand: het verlichte liberalisme. Beiden streefden naar gelijkberechtiging van hun aanhang aan de verlichte burgerij: het waren emancipatiebewegingen (beweging die naar gelijkberechting streeft). Pas in de Eerste Wereldoorlog sloten ze weer vrede. Het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en het bijzonder (christelijk) onderwijs kreeg evenveel geld als het openbare onderwijs. De katholieke kinderen gingen naar een katholieke school en de orthodox-protestantse kinderen gingen naar hun school. Dit versterkte de verzuiling (opdeling van de natie in levensbeschouwelijke groepen (zuilen), waarvan de leden weinig contact hebben met leden van andere zuilen en zijn aangesloten bij verzuilde organisaties, zoals scholen en vakbonden). Geleidelijk vormden ook de socialisten een eigen zuil. De rest van de bevolking ging vanzelf behoren bij de ‘neutrale’ zuil. Vrouwen mochten gaan werken, maar het was gebruikelijk dat als ze trouwden, ze stopten met werken.

8.5 De sociale kwestie

De industrialisatie leidde tot het ontstaan van een sociale kwestie: een debat over de slechte arbeids- en leefomstandigheden van de arbeiders. In Nederland kwam dat debat pas na 1870 op gang. Rond 1870 ontstond in Nederland voor het eerst grootschalige arbeidsonrust. Er waren stakingen, de eerste vakbonden werden opgericht en het socialisme begon nu ook hier op te komen. Ambachtelijke arbeiders kwamen in de problemen door de industrialisatie. De sociale kwestie (door de industriële revolutie ontstond het vraagstuk van de armoede en de slechte werk- en leefomstandigheden van de arbeiders en de vraag hoe de arbeiders konden worden geïntegreerd in de samenleving) veroorzaakte bij de burgerij twijfel aan het ver doorgevoerde economisch liberalisme. Artsen, onderwijzers en sommige fabrikanten wilden een verbod op kinderarbeid. Op initiatief van het liberale Kamerlid Van Houten werd in 1874 de kinderarbeid voor het eerst wettelijk beperkt, het verbood het in dienst nemen van kinderen onder de twaalf jaar. Op een gegeven moment kwam er de Arbeidswet die in de industrie nachtarbeid voor vrouwen en jongens tot zestien jaar verbood en hun werkdag beperkte tot elf uur.

8.6 Het moderne imperialisme

Het grootste deel van de 19e eeuw was Groot-Brittannië de absolute wereldmacht op zee. In de tijd van het modern imperialisme (de Europese expansie vanaf 1870, waarbij Europese mogendheden hun koloniale bezit uitbreidden en hun kolonies grondiger gingen exploiteren, het streven naar territoriale machtsuitbreiding door directe heerschappij of via invloedssferen) kreeg Groot-Brittannië te maken met concurrentie. Er ontstonden nieuwe industrieën, zoals de elektronische, de chemische, de staal- en de olie-industrie. Er ontstond een wereldwijde arbeidsverdeling. Ook de ontwikkeling van de transportsector versterkte de koloniale expansie (opening Suezkanaal).

Begrippen

  • Confessionalisme: politiekmaatschappelijke stroming die uitgaat van het geloof.
  • Democratisering: groei van de invloed van het volk in de samenleving en politiek.
  • Emancipatiebeweging: beweging die naar gelijkberechting streeft.
  • Feminisme: streven naar gelijkwaardige positie van de vrouw.
  • Modern imperialisme: Europese expansie waarbij kolonies worden uitgebreid en grondig gingen exploiteren.
  • Industriële revolutie: omwenteling in productiemethoden, waarbij handarbeid werd vervangen door machines.
  • Industriële samenleving: samenleving waarin de economie wordt beheerst door de industrie.
  • Liberalisme: politiekmaatschappelijke stroming die de vrijheden en rechten van het individu centraal stelt.
  • Nationalisme: politiekmaatschappelijke stroming die streeft naar nationale zelfstandigheid in een eigen natiestaat.
  • Politieke stroming: beweging die deel wil nemen aan het bestuur vanuit bepaalde opvattingen over de juiste inrichting van de maatschappij.
  • Sociale kwestie: vraagstuk van de armoede en de slechte werk- en leefomstandigheden van de arbeiders.
  • Socialisme: politiekmaatschappelijke stroming van de arbeidersklasse. Die streeft naar gelijkwaardigheid.
  • Agrarische revolutie: verbetering van landbouwmethodes vanaf de 18e eeuw.
  • Burgerij: alle groepen tussen de adel en arbeidersklasse in de 19e eeuw.
  • Transsportrevolutie: verbetering van vervoersmiddelen.
  • Verzuiling: opdeling van de natie in levensbeschouwelijke groepen.

Kenmerkende aspecten

  • De industriële revolutie die in de westerse wereld basis legde voor een industriële samenleving.
  • Discussies over de sociale kwestie.
  • De moderne vorm van imperialisme die verband hield met industrialisatie.
  • De opkomst van emancipatie bewegingen.
  • Voortschrijdende democratisering met deelname van steeds meer mannen en vrouwen aan het politieke proces.
  • De opkomst van politiek maatschappelijke stromingen: Liberalisme, Nationalisme, Socialisme, Confessionalisme, Feminisme.