Tijdvak 7 pruiken en revoluties

In het kort

In dit tijdvak ging men nog een stap verder met denken dan in de jaren daarvoor, men kwam hierdoor op andere hele gedachten over politiek maar ook wetenschap. Het gevolg van dit nieuwe denken (wat we de verlichting noemen) was het afzetten van een aantal vorsten waaronder de fransen koning Lodewijk de 16e. op het gebied van wetenschap werden ook steeds meer dingen ontdekt, zo werden de eerste stoommachines gemaakt die in het volgende tijdvak pas op grote schaal toegepast zouden worden.
Over Nederland wordt vrij weinig gesproken in dit tijdvak, er was een eind aan de gouden eeuw gekomen en wij waren in verval geraakt en hadden weinig met de nieuwe technieken.

7.1 De verlichting

In 1751 begon in Parijs een megaproject: de publicatie van alle nuttige kennis van de mensheid. De grootste deskundigen werkten er aan mee, Het was dan ook voor een hoog doel: een basis leggen voor de verdere vooruitgang van de mensheid. De Encyclopedie ontstond. Het was een typisch product van de verlichting (beweging die meende dat met de rede alles kan worden verklaard en dat een op de rede gebaseerde samenleving opgebouwd moet worden, met rationalisme (gebruik van gezond verstand), vrijheid, gelijke rechten voor alle mensen en verdraagzaamheid zou er meer licht komen in het leven). De verlichting kwam voort uit de wetenschappelijke revolutie van de 17e eeuw.Een bekende verlichtingsdenker was de Fransman Voltaire. Hij was een voorstander van de godsdienstige vrijheid en tolerantie. Hij was ook een deïst, dat is iemand die gelooft dat een opperwezen het heelal heeft gemaakt, en daar op een gegeven moment klaar mee was, en verder konden de mensen met hun verstand bepalen wat goed en kwaad was, etc. Andere verlichtingsdenkers gruwden juist van het absolutisme. Als de macht in een hand was, vonden zij, leidde dat tot machtsmisbruik. De Fransman Montesquieu bijvoorbeeld, vond dat wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht van elkaar gescheiden moesten zijn, dit werd ook wel de driemachtenleer genoemd.

7.2 Het ancien regime

Adel en geestelijken hoefden geen belasting meer te betalen. De gewone burgers en boeren gingen hier opnieuw onder lijden. Intussen kwam de overheid van de belastingen niet rond. Er werd op een bepaalde manier geregeerd, namelijk door een verlicht absolutisme (systeem waarbij een verlichte vorst de absolute macht heeft en verlichte hervormingen van bovenaf probeert in te voeren).Nederland had geen koning en nauwelijks adel. Toch drukten de regenten meer en meer op de rest van de bevolking. Het volk kwam in opstand en riep om de terugkeer van Oranje. De prins van Oranje kon daardoor overal zijn tegenstanders onder de regenten wegwerken en in alle gewesten zelf stadhouder worden. De Republiek leek ineens wel een monarchie. Maar de stadhouder bleek net zo weinig voor het volk te doen als de regenten.

7.3 De democratische revoluties

De onthoofding van Lodewijk XVI was een hoogtepunt in de Franse revolutie die in 1789 was begonnen. En die revolutie was onderdeel van een reeks democratische revoluties (ingrijpende politieke verandering, waarbij een democratische grondwet word ingevoerd). De Amerikanen wilden geen belasting aan Brittannië betalen, zolang ze niet waren vertegenwoordigd in het Britse parlement. Om hun verzet kracht bij te zetten, vormden de dertien koloniën een gezamenlijk Congres. Hierdoor brak in 1775 de Amerikaanse vrijheidsoorlog uit. 8 jaar later erkende Groot-Brittannië de Amerikaanse onafhankelijkheid, waarna de Verenigde Staten een grondwet (wet waarin staat hoe er geregeerd moet worden en wat de rechten en plichten van de burgers zijn) aannamen. Bij de grondwet hoorden grondrechten (basisrechten voor alle burgers die zijn vastgelegd in de grondwet).De Amerikaanse revolutie maakte diepe indruk in Europa, zeker in Frankrijk. Hier was het bewijs dat verlichte ideeën werkten. Uiteindelijk ging zag koning Lodewijk XVI nog maar een uitweg uit de financiële crisis: de Staten-Generaal bijeenroepen. Dat was een breuk met het absolutisme. De burgervertegenwoordigers zouden pas toegeven als er een grondwet was. Lodewijk leek eerst toe te geven, maar spaarde een leger op rond Parijs. Dit bracht de bevolking van Parijs op een hoogtepunt bij de bestorming van de Bastille. Uiteindelijk kregen alleen welgestelden het volledige staatsburgerschap (persoon met de politieke rechten van een burger in een staat) met kiesrecht. De revolutie werd teruggedrongen en de grootste erfenis van de revolutie was dat de democratische idealen overal wortel schoten.

7.4 Kolonialisme en slavernij

Na 1500 brachten de Spanjaarden en Portugezen de trans-Atlantische slavenhandel (handel in zwarte Afrikaanse slaven tussen Afrika en Amerika) op gang. De sterke Afrikanen waren geschikt voor het zware werk op de plantages en in de mijnen. Vanaf de 17e eeuw deden ook Nederlanders, Britten en Fransen aan de slavenhandel mee. Dit alles was onderdeel van een driehoekshandel tussen Europa, Afrika en Amerika. Deze driehoekshandel werd beheerst door bijvoorbeeld de WIC. De slaven werden behandeld als beesten. Maar in 1787 richtten Britse abolitionisten (beweging voor de afschaffing van slavenhandel en slavernij) een beweging op tegen slavernij en slavenhandel.

Begrippen

  • Abolitionise: beweging voor de afschaffing van de slavenhandel.
  • Acien Régime: oude orde in de samenleving.
  • Democratische revolutie: ingrijpende politieke verandering waarbij een democratische grondwet ingevoerd.
  • Grondrechten: basisrechten van alle burgers, vastgelegd in de grondwet.
  • Grondwet: wet waarin staat hoe het land regeert moet worden.
  • Plantages: landbouwbedrijven in de tropen.
  • Rationalisme: toepassing van de redelijkheid.
  • Sociale verhoudingen: verschillen en overeenkomsten tussen groepen in een samenleving.
  • Staatsburger: persoon met de politieke rechten van een burger in een staat.
  • Trans-Atlantische slavenhandel: handel in zwarte Afrikaanse slaven.
  • Verlicht absolutisme: systeem waarbij een verlichte vorst de absolute macht heeft en de verlichting doorvoert.
  • Verlichting: beweging die menen dat met de rade alles verklaard kan worden.
  • Driemachtenleer: theorie die de vrijheid van het volk waarborgt door drie gescheiden machten(Trias Polititca).
  • Eenheidsstaat: staat met één hoogste gezag.
  • Rechtsstaat: staat waarin de rechten en plichten van burgers en overheid vastliggen in wetten.

Kenmerkende aspecten

  • Rationeel optimisme en ”verlicht denken” dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
  • Voortbestaan van het ancien regime met pogingen om het bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven. (verlicht absolutisme).
  • Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantage kolonies en daarmee verbonden met trans-Atlantische slavenhandel en de opkomst van het abolitionisme.
  • De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.