Tijdvak 6

In het kort

Dit tijdvak wordt gekenmerkt door de grote rijkdommen van Nederland, dit wordt ook wel de gouden eeuw genoemd. Een van de dingen waardoor wij zo rijk werden was de handel doormiddel van de VOC, hiermee werd gecontroleerd hoe alles opgehaald werd en verhandeld werd om zo de optimale winst te behalen. Ook werd Nederland een vooruitstrevend land met geloofsvrijheid en meerdere mensen in de regering (regenten). In andere landen om ons heen heerste nog het absolutisme wat betekend dat er een vorst was, een voorbeeld hiervan is Lodewijk de 14e die koning was van Frankrijk.

6.1 Een wereldeconomie

Java was bereikt en na dit succes stampten kooplieden de ene na de andere handelsonderneming uit de grond. Het was ze te doen om peper en om fijne specerijen kruidnagelen, foelie en nootmuskaat. Al snel ontstond tussen de Nederlanders een moordende concurrentie, zodat de winsten schrikbarend daalden.Op initiatief van de Staten-Generaal werd daarom in 1602 de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) opgericht. Zij gingen voortaan over de handel in Azië, en geen Nederlander mocht er buiten de VOC handel drijven met Azië. Ook mocht de VOC verdragen sluiten met vorsten, vestingen bouwen en oorlog voeren. De VOC was ook een voorbeeld van het opkomende handelskapitalisme, waarbij koopmanondernemers zich met handel en nijverheid bezighielden en een deel van de winst in de onderneming stopten. In de overzeese vestigingen werd een gouverneur-generaal (algemeen bestuurder) de hoogste baas. De handelsrelaties die Nederlanders en andere Europeanen over de hele wereld aanknoopten, vormden het begin van de wereldeconomie (economisch systeem met wereldwijde handelscontacten waardoor vraag en aanbod elkaar over grote afstand beïnvloeden, bijvoorbeeld de Europese vraag naar suiker en de productie ervan in Azie). In 1628 boekte Piet Heijn een legendarisch succes met de verovering van de Spaanse ‘zilvervloot’.

6.2 De Gouden Eeuw van Nederland

De economie bloeide en kunst en wetenschap bereikten een verbluffend niveau. Het bestuur was in handen van regenten (hoge bestuurders in Nederlandse steden, gewesten en op het platteland, die de bovenlaag van de maatschappij vormden). De steden werden bestuurd door een vroedschap. De stadhouder was de hoogste functionaris in de gewesten. De stadhouder was de machtigste man van de Republiek. Hij was opperbevelhebber van leger en vloot, hield in zijn gewesten toezicht op de rechtspraak en kon gratie verlenen. De gewesten werkten samen in de Staten-Generaal. Amsterdam was de belangrijkste stapelmarkt (plaats waar goederen in pakhuizen worden opgeslagen en vandaar verder worden verhandeld) van Europa. Je kon het echt de Gouden Eeuw (economische en culturele bloeiperiode) noemen. De godsdienststrengheid werd niet meer zo nauw genomen, zelfs katholieken konden hun geloof houden, als ze het maar niet al te zichtbaar maakten.

6.3 Het absolutisme

Overal in Europa veroorzaakten godsdienstige tegenstellingen en vorstelijke centralisatiepolitiek opstanden en oorlogen. Maar de uitkomst was overal anders. Engeland werd uiteindelijk een constitutionele monarchie (koninkrijk waarbij de macht van de koning gebonden is aan een grondwet of anders genoemd constitutie), met een beperkte macht voor de koning. Oostenrijk en Frankrijk werden absolute monarchieën. Daar kreeg de koning juist meer macht dan ooit. Lodewijk XIV werd de langst regerende vorst uit de Europese geschiedenis. Onder hem bereikte het absolutisme (regeringssysteem waarbij de macht van de koning niet wordt beperkt door een grondwet of door rechten van andere organen) een hoogtepunt. Lodewijk XIV beperkte de macht van de adel en de steden, hij besliste alleen, zonder om toestemming te vragen, de Staten-Generaal riep hij niet meer bijeen. In de provincies stelde hij intendanten aan, deze hoge ambtenaren inden belastingen, rekruteerden soldaten en bemoeiden zich met de rechtspraak, de landbouw en nog veel meer zaken. Ook maakte hij een eind aan de godsdienstvrijheid en begon de hugenoten (franse calvinisten) te vervolgen. Om het uitgebreide bestuur en leger te financieren, was wel veel geld nodig. Daarom voerde Lodwijks minister van financiën, Jean Baptiste Colbert, een krachtige politiek van mercantilisme (economisch systeem in de 17e en 18e eeuw waarbij de overheid de nationale economie versterkte door bevordering van productie en export, het afremmen van import en ander ingrijpen in de economie), er werden bijvoorbeeld wegen gebouwd en de interne tollen werden afgeschaft.

6.4 De wetenschappelijke revolutie

De Italiaan Galileo Galilei bevestigde het de theorie van Copernicus, namelijk dat de zon stil staat en de aarde en de andere planeten draaien om de zon heen. Door telescopen te bouwen zag hij dat het oude wereldbeeld niet klopte, hij zag dat de oppervlakte van de maan ruw was en dat de maan niet zelf licht gaf, maar het zonnelicht weerkaatste, hij zag dat om Jupiter heen manen cirkelden en hij zag dat de sterren veel verder weg waren dan de planeten. Galilei moest zijn denkbeelden van de kerk herroepen, en dat deed hij, en pas in 1992 erkende de paus dat niet Galilei, maar de kerk zich had vergist. De wetenschappelijke revolutie (doorbraak van een wetschappelijke manier van denken in de 17e eeuw in Europa, waarbij het systematisch verwerven van kennis door eigen observaties, experimenten en logisch redeneren centraal staan), bereikte een hoogtepunt. Er lag een mechanisme aan ten grondslag: de zwaartekracht. Door de wetenschappelijke revolutie kwamen de exacte wetenschappen tot bloei. Er ontstond een nieuw wereldbeeld, waarin alles logisch en via vaste wetten kon worden verklaard. De telescoop en de microscoop werden uitgevonden. De wetenschappelijke revolutie leidde tot optimisme. Zo leidde de wetenschappelijke revolutie van de 17e eeuw tot de verlichting van de 18e eeuw.

Begrippen

  • Absolutisme: regeringssysteem waarbij de macht van de vorst niet wordt beperkt door grondwet of andere rechten.
  • Economie: alles wat te maken heeft met middelen om te bestaan.
  • Handelskapitaal: economisch systeem waarbij een deel van de winst weer in de onderneming wordt herinvesteert.
  • Kapitalisme: economisch systeem waarbij de productiemiddelen privébezit zijn.
  • Wereldeconomie: economisch systeem waarbij met wereldwijde handelscontacten.
  • Wetenschappelijke revolutie: doorbraak in de wetenschappelijke manier van denken in de 17e eeuw.
  • Constitutionele monarchie: koninkrijk waarbij de macht van de koning wordt begrenst door de grondwet.
  • Gouden eeuw: is de economische en culturele opbloei in De Nederlanden(17e eeuw).
  • Gouverneur-Generaal: algemeen bestuurder.
  • Mercantilisme: economisch systeem waarbij de overheid de nationale economie bevordert door tariefmuren.
  • Regenten: bestuurders van stedelijke, gewestelijke of landsbesturen.
  • Stapelmarkt: plek waar goederen worden opgeslagen en worden verhandelt(VB Amsterdam)
  • Vroedschap: dagelijks bestuur van de stad.
  • Schutterij: gewapende buurtpreventie.
  • Hugenoten: franse calvinisten.
  • Monopolie: alleenrecht.
  • Reguliere geestelijken: leven volgens de regels van een kloosterorde.
  • Seculiere geestelijken: geestelijke die zorgt voor het welzijn van het volk.

Kenmerkende apspecten

  • Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
  • De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Nederlandse republiek.
  • Het streven van vorsten naar absolute macht.
  • De wetenschappelijke revolutie.