Tijdvak 4 steden en staten

In het kort

Tijdvak 4 is het tweede deel van de middeleeuwen, in deze tijd van de steden en staten begon Europa langzaam weer bij te trekken van de onrust uit tijdvak 3. Na alle onrust kwamen er ook weer staten op (staatsvorming), werden steden weer groter en kwam er meer rust en welvaart. Met de komst van steden kwam er ook weer centralisatie, dit wil zeggen dat het land vanuit een punt wordt bestuurd.
Een punt waarover veel wordt besproken in dit tijdvak zijn de kruistochten, deze vonden vanaf 1096 plaats en hadden als doel het heilige land te veroveren uit de naam van god.

4.1 De opkomst van steden

Na het jaar 1000 hielden in Europa de invallen op van agressieve volken, zoals de Hunnen en Vikingen. Dat zorgde voor rust. In drie eeuwen verdubbelde de bevolking. De economie groeide en opnieuw kwamen steden op. De groeiende bevolking kon worden gevoed doordat de landbouw werd uitgebreid en verbeterd. In een jaar was er genoeg oogstoverschot om te verhandelen. Boeren verkochten hun producten (ook wijn en vlees), op de markten die ontstonden waar wegen elkaar kruisten, of bij kloosters en kastelen. Op deze plaatsen groeiden nieuwe steden. Steden werden nog meer afhankelijk van de boeren uit de omgeving.
De stad en de handel hoorden bij elkaar. Ook kwamen er ambachten (beroepen waarbij met geschoold handwerk een product wordt gemaakt of bewerkt) bij, zoals bakkers, timmerlui en wevers. Sommige gebieden/landen werden steden zo rijk en groot (bijvoorbeeld Venetië), dat ze staten op zich werden: stadstaten.

4.2 De stedelijke burgerij

De eerste stadsbewoners beleefden een unieke vrijheid. Ze hadden van de graaf of hertog toestemming gekregen om een aparte gemeenschap te vormen, met een eigen bestuur en eigen rechtspraak. In ruil betaalden de stadsbewoners belasting. De heer liet wel iemand in de stad toezicht houden, de schout of baljuw. De heren werden minder afhankelijk van de opbrengst van hun eigen land en hadden ook de horigen niet meer nodig. De invloed van de adel nam hierdoor wel af.Door slechte hygiëne en grote branden dreigde er vaak honger. Daarom moest de stadsbevolking voortdurend worden aangevuld met nieuwe burgers van het platteland. De horigheid verdween. Nieuwe dorpen die ontstonden, konden ook privileges (speciale rechten) krijgen van hun heer. Van het geld van de belasting werden muren, pleinen en bruggen gebouwd om vijandige volken buiten te houden. Ambachtslieden vormden per beroepsgroep een gilde (samenwerkingsverband van ambachtslieden). Een gilde zorgde voor de leden van de wieg tot het graf, regelde de opleiding in het ambacht, lette erop dat de producten van goede kwaliteit waren, stelde prijzen vast en zorgde ervoor dat buitenstaanders niet hetzelfde beroep konden uitoefenen in de stad. Binnen een gilde waren meesters de baas over de leerlingen. Als een leerling zijn opleiding had voltooid, werd hij gezel. In de steden waren de kooplieden (patriciërs) erg rijk. Vaak was het maar een handjevol families. Tussen deze families waren vaak grote ruzies.

4.3 Staatsvorming en centralisatie

Waar voorheen de koningen van het ene hof naar het andere reisde om hun macht te bevestigen, kozen vorsten nu een stad als centrale plaats en probeerden van daaruit steeds meer macht te krijgen in hun koninkrijk. Dit noemen we centralisatie. Het begin van staatsvorming bestond uit: Koningen hieven belasting, met het geld konden ze de trouw van hun leenmannen ‘kopen’, en legers en ambtenaren betalen, met behulp van de ambtenaren probeereden koningen regels in te voeren die voor alle inwoners van hun rijk golden en ze traden op als hoogste rechter. De machtige hertogen hadden het recht om samen hun koning te kiezen, die vervolgens kon proberen keizer te worden. Maar het lukte alleen de sterkte keizers om de macht van de grote hertogen wat te beperken. De hertogen waren niet afhankelijk van de keizer. De adel werd minder machtig. Leenmannen waren niet meer veilig in hun kasteel door de opkomst van een nieuw wapen: het kanon. Maar de koning had door de centralisatie wel steeds meer geld nodig, en daarvoor was hij onder andere afhankelijk van de adel. Om daarover afspraken te maken ontstonden de parlementen (volksvertegenwoordiging) of Staten-Generaal. Dit waren vergaderingen van de drie standen: adel, geestelijkheid en burgers. De vorst deed het parlement beloftes in ruil voor geld en andere steun.

4.4 Kerk en staat

De Duitse keizer en de paus zagen zichzelf in de middeleeuwen allebei als de opvolger en erfgenaam van de Romeinse keizers. Dit leidde in de 11e eeuw tot een heftig conflict. Vorsten en andere leken (mensen die niet tot de geestelijkheid behoorden), mochten zich niet bemoeien met de kerk. De paus vond dat hij keizers af mocht zetten als ze tegen de wil van God ingingen. De keizer had flink wat invloed in de kerk, dus hij vond, evenals andere wereldlijke (alles wat buiten het geestelijke leven valt) heersers dat het zo moest blijven dat hij het laatste woord had. Zo gaf hij de bisschoppen in zijn rijk bij hun benoeming de bijbehorende staf en ring. Met deze overhandiging (investituur) van de symbolen van hun geestelijke macht, had hij hun benoeming in de hand. De bisschoppen waren steunpilaren van de macht van de keizer, omdat hij ze wereldlijke macht gaf als hertog of graaf. Op een gegeven moment deed de paus de keizer in de ban (hij mocht dus geen keizer meer zijn, verbood iedereen hem te gehoorzamen en hij mocht niets meer met de kerk te maken hebben). Vanaf de 12e eeuw was het college van kardinalen in Rome het hoogste orgaan binnen de geestelijkheid. Uiteindelijk liep de strijd om de macht uit op een scheiding tussen van kerkelijke en wereldlijke macht., van kerk en staat. Er ontstonden massale bewegingen die zich verzetten tegen misstanden in de kerk en tegen onderdelen van de kerkelijke leer. De kerk vervolgende op haar beurt de ‘ketters’ die van het volgens haar juiste pad afweken.

4.5 Christelijke Europa en de buitenwereld

Op het concilie van Clermont in 1095 riep paus Urbanus 2 de christelijke wereld op om het onderlinge geweld te staken, en naar Jeruzalem te gaan, om geloofsgenoten te beschermen in het Heilige Land. Hij riep de mensen op tot een heilige oorlog tegen de islam. Het was het begin van de kruistochten. In 1099 veroverde het kruisleger Jeruzalem, en moordde een groot deel van inwoners uit, zowel moslims als joden. Een deel van de troepen hadden het leger toen al verlaten en vormden kruisvaarderstaatjes. Jeruzalem werd weer terugveroverd door de Turmenen en de christenen konden ongedeerd vertrekken. Er ontstonden handelsposten en plantages, dit werd later een economisch succes en legden de basis voor de latere Europese expansie (uitbreiding) over de hele wereld.

Begrippen

  • Ambacht: beroep met geschoold handwerk.
  • Centralisatie: ontwikkeling waarbij een gebied steeds meer vanuit één punt wordt bestuurt.
  • Expansie: uitbreiding.
  • Kruistochten: gewapende tochten van christelijke ridders die land willen veroveren.
  • Staatsvorming: ontwikkeling waarbij een gebied steeds meer als één geheel wordt gestuurd, door één overheid vanuit een hoofdstad.
  • Wereldlijk: alles wat buiten het geestelijke leven valt.
  • Ban: kerkelijke straf waarbij iemand uit de kerk wordt gezet.
  • Gilde: samenwerkingsverband van ambachten.
  • Inquisitie: kerkelijke rechtbank.
  • Investituurstrijd: strijd over de vraag wie benoemt de hoge geestelijken.
  • Ketterij: afwijking van de orthodoxe geloofsleer.
  • Leek: iemand die niet tot de geestelijkheid behoort.
  • Parlement: volksvertegenwoordiging.
  • Staten-Generaal: door de koning bijeengeroepen vergadering van vertegenwoordigers van alle drie de standen.

Kenmerkende aspecten

  • De opkomst van handel en ambacht legde de basis voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving.
  • De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden.
  • Het begin van staatsvorming en centralisatie.
  • Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat hebben.
  • De expansie van de christelijke wereld onder andere in de vorm van kruistochten.