Tijdvak 3 monniken en ridders

De tijd van monniken en ridders is een duistere periode in onze geschiedenis, het wordt ook wel de duistere middeleeuwen genoemd. Een van de redenen hiervoor is dat een groot deel van de ontwikkeling (van de Romeinen) in europa verloren is gegaan samen met het rijk. Vele plunderingen vonden plaats en de bevolking kromp van 70 naar 20 miljoen mensen, de steden waren ook erg onveilig voor de gewone mens. Waardoor veel mensen terug naar de het platteland gingen maar waar ze ook zonder bescherming onveilig waren. Om deze onveiligheid tegen te gaan ontstonden het leenstelsel en het hofstelsel.
Op het gebied van geloof waren er ook veel veranderingen, zo kwam de Islam in het midden oosten op en werd het christendom verder verspreid door Europa. Deze verspreiding wordt ook wel kerstening genoemd.

3.1 De opkomst van de islam

De Islam ontstond in 610 nadat Mohammed een visioen zou hebben gehad van Aartsengel Gabriel. Hierin werd hem verteld het ”Originele” geloof van Adam en Abraham opnieuw te verspreiden. Na Mohammeds dood in 632 na christus werden al zijn visioenen opgeschreven. Deze herinneringen zijn de fundamenten voor het boek dat wij nu als de Koran kennen. De islam is een monotheïstische godsdienst wat wil zeggen dat ze maar één god hebben net als het jodendom en het christendom.
Mohammed verenigde een aantal stammen in het Arabisch schiereiland tot het Kalifaat. Samen veroverden ze het zuidwestelijke stuk van het Arabische schiereiland. Na Mohammeds dood in 632 na christus nam zijn schoonvader (Aboe Bakr) zijn rol over. Hij was dan wel niet de profeet maar hij werd wel de eerste Kalief (plaatsvervanger van Mohammed). hij veroverde het hele Arabische schiereiland en stierf vlak hierna in 634 na christus. Na de dood van Aboe Bakr kwamen er nog drie Kaliefen (Arabische koningen) In een relatief korte tijd veroverden ze samen een enorm gebied. Na de moord op de vierde kalief (Ali) weigerde de gouverneur van Damascus straf de geven aan de daders. Hierdoor ontstond een soort burger oorlog waardoor het volk genaamd de Omajjaden de macht grepen. Onder de Omjjaden verspreide het kalifaat zich tot ongekende grote en veroverde zelfs stukken in Europa.
Uiteindelijk kromp het kalifaat weer maar het geloof bleef echter op veel plaatsen achter. Deze eerdere veroveringen hebben dus de basis gelegd voor het grootste geloof van vandaag de dag!

3.2 Hofstelsel en horigheid

Als je kijkt naar Europa in Tijdvak 3 is het een grote stap terug als je het vergelijkt met tijdvak 2. Van het West-Romeinse rijk waren vrijwel alleen nog ruines over. Steden en wegen waren grotendeels verdwenen en de steden die er waren werden zeer onveilig. Handel was er bijna niet meer. De bevolking was gekrompen en leefde op het platteland waar veel autarkie voorkwam (leven van eigen opbrengst).Het was een karig bestaan, honger en gebrek lagen altijd op de loer. En de boeren werden overheerst, onderdrukt of zelfs geterroriseerd door de adellijke heren van wie ze afhankelijk waren. Toch waren de nog bestaande steden van levensbelang. Het waren de centra van waaruit het rijk werd georganiseerd, van waaruit handel werd bedreven en de cultuur bloeide.
De horigheid ontstond in de nadagen van het Romeinse Rijk. In de 4e eeuw daalde de agrarische productie dramatisch. Om een verdere daling te voorkomen werd het boeren verboden hun grond te verlaten. Boeren voelden zich gedwongen om zich onder bescherming te stellen van grootgrondbezitters. In ruil voor die bescherming gingen ze allerlei verplichtingen aan. Zo ontstond ook het hofstelsel. Daarbij had de grootgrondbezitter op zijn landgoed (domein) een centrum, het hof, van waaruit hij zijn gehele gebied beheerste. Dit domein was in tweeën gesplitst, het ene deel (vroonland), was van de heer zelf, en het andere deel (hoevenland), was van de boeren. De boeren moesten hier voor herendiensten bewijzen. Hofstelsel en horigheid waren in grote delen van Europa overheersend.

3.3 Het feodale stelsel

In 800 kroonde de Paus koning Karel de Grote tot keizer. Hij zij als heerser over de opvolger zijn van de Romeinse keizers. Maar het verschil werd enorm. In de plaats van de verdwenen Romeinse overheid kwam een nieuw bestuurssysteem, namelijk: het feodale stelsel.Omdat er geen goede wegen meer waren, konden heersers alleen in een beperkt gebied hun gezag doen gelden. Koningen waren afhankelijk van lagere heren. Door al deze persoonlijke banden ontstond het feodalisme. Dit kwam erop neer dat een heer een stuk grond of een ambt in leen gaf aan een dienaar, de vazal of leenman. In ruil zwoer de vazal dat hij zijn leenheer zijn leven lang trouw met raad en daad zou dienen. Meestal kwam dat neer op krijgsdienst te paard.Clovis, een krijgsheer, onderwierp rond 500 bijna heel Gallie. In de 8e eeuw had het Frankenrijk weer een aantal sterke heersers, zoals Karel Martel, Pippijn de Korte en Karel de Grote. Karel de Grote werd de machtigste Europese vorst van de vroege Middeleeuwen. Hij vergrootte zijn rijk. Door technische verbeteringen werden voor het eerst in Europa ridders (adellijke ruiters) te paard beter dan het voetvolk. Ze kregen betere zwaarden, lansen, een maliënkolder en een stijgbeugel.Karel verdeelde zijn rijk in een paar honderd districten (gouwen), die elk een graaf/hertog aan het hoofd kregen. Ze moesten namens hem in hun gebied recht spreken, besturen, etc. In ruil kregen ze hun ambt in leen met daarbij bijbehorende burcht, belastingrechten en domeinen.De vazallen gingen hun leen zien als erfelijk bezit en probeerden het aan hun kinderen door te geven. Hierdoor verminderde steeds meer het idee van gezag. Het gevolg van dit alles was dat rond het jaar 1000 in grote delen van Europa de feitelijke macht in handen was van kleinere kasteelheren. Ze hieven belasting en terroriseerden de bevolking met eigen legertjes die op hun kasteel woonden.

3.4 Christendom in Europa

De veroveringen van Karel de Grote bevorderden ook de verbreiding van het christendom. De christenen zagen de bekering van de heidenen als plicht van naastenliefde. Toch kwam het christendom in de verdrukking, onder andere door de Germaanse invasies. Een keerpunt was de bekering van Clovis.
Tegelijk begon de paus vanuit Rome de kerstening (bekering tot het christendom) te bevorderen. Karel de Grote drong het christendom met geweld op. De bisschop van Rome, de paus, was uitgegroeid tot leider van de kerk. Toen de paus eiste dat hij ook Byzantium werd gehoorzaamd, kwam het in 1054 tot een breuk, die nooit meer is geheeld.

Begrippen

  • Autarkie: een zelfvoorzienende gemeenschap.
  • Feodalisme: bestuurssysteem waarbij hoge edelen grond of ambten te leen gaven in ruil voor trouw.
  • Hofstelsel: landbouw stelsel waarbij landgoederen van de heer autarkische leven.
  • Horigheid: toestand van boeren waarbij ze het land niet mogen verlaten en slechts gedeeltelijk vrij zijn.
  • Islam: monotheïstische godsdienst met als heilige boek de Koran.
  • Adel: hoogste maatschappelijk laag in de middeleeuwen.
  • Agrarische cultuur: cultuur waarbij de landbouw het overheersende middel van bestaan is.
  • Bisschop: hoogste christelijke geestelijke in de stad.
  •  Christenheid: benaming voor gezamenlijke christelijke volkeren in Europa.
  • Heidendom: afgodendienst, mensen die in meer goden geloven.
  • Kerstening: bekering tot het Christendom.
  • Monnik: geestelijke die afgesloten van de wereld leeft, om zich geheel aan het geloof te weiden.
  • Paus: hoofd van de katholieke kerk.
  • Ridder: adellijke ruiter.

Kenmerkende aspecten

  • Het ontstaan en de verspreiding van de Islam.
  • De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch urbane cultuur door een zelfvoorzienende agrarische cultuur.
  • Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.
  • De verspreiding van het christendom in heel Europa.